Loon voor later (5): de pensioenregeling zelf
04.08.2026 / Werken in de bouwmaterialenhandel,

Loon voor later (5): de pensioenregeling zelf

Loon voor later (5): de pensioenregeling zelf

Sociale partners hebben de contouren van de nieuwe pensioenregeling vastgesteld: een solidaire premieregeling (SPR). Wat betekent dit voor de pensioenopbouw, de dekking bij overlijden en arbeidsongeschiktheid, en welke keuzes zijn daarbij gemaakt? Een overzicht van de belangrijkste kenmerken.

De nieuwe pensioenregeling is vormgegeven als een solidaire premieregeling (SPR). Dat betekent dat niet langer de hoogte van de pensioenuitkering vaststaat, maar de hoogte van de premie die wordt ingelegd. Deze premie wordt collectief belegd, en het rendement bepaalt uiteindelijk hoe hoog het pensioen wordt. De nieuwe regeling komt grotendeels overeen met de huidige pensioenregeling. Maar op een paar punten zijn aanpassingen. Hieronder de belangrijkste onderdelen.

Premie en pensioenambitie

Aan de premie is niet veranderd: bruto 25,35% van de pensioengrondslagsom, waarvan twee derde door de werkgever en een derde door de werknemer wordt betaald. Van deze bruto premie is ongeveer 21% netto bestemd voor de daadwerkelijke pensioenopbouw; de rest gaat naar risicodekkingen, zoals partnerpensioen en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, en naar uitvoeringskosten.

De pensioenambitie is 70% van de gemiddelde pensioengrondslag, exclusief AOW, op basis van 42 dienstjaren. Anders gezegd: de eerste pensioenuitkering die een 25-jarige deelnemer bij pensionering op 67-jarige leeftijd, na 42 deelnemersjaren, bruto zou kunnen bereiken. Op basis van de meest recente berekeningen is de kans dat deze ambitie daadwerkelijk wordt gerealiseerd minimaal 51%.

Belangrijk om te beseffen: na de ingangsdatum wordt de pensioenuitkering variabel en jaarlijks opnieuw vastgesteld op basis van beleggingsresultaten. Er is geen sprake meer van toeslagverlening zoals nu. In plaats daarvan stijgt of daalt het persoonlijk pensioenvermogen mee met het beleggingsrendement, waarbij verlagingen zoveel mogelijk worden beperkt met behulp van de solidariteitsreserve.

Pensioenleeftijd, salaris en franchise

De pensioenrichtleeftijd blijft ongewijzigd op 67 jaar en de toetredingsleeftijd blijft 18 jaar. Ook de opbouw van het pensioengevend salaris verandert niet: dit bestaat nog steeds uit het vaste jaarsalaris, de vakantietoeslag en eventuele structurele vaste toeslagen die schriftelijk zijn overeengekomen, met als peildatum 1 januari.

Twee bedragen die jaarlijks worden geïndexeerd, zijn inmiddels bijgewerkt naar de cijfers van 2026. Het maximum pensioengevend salaris bedraagt in 2026 € 57.070. De franchise — het deel van het salaris waarover geen pensioen wordt opgebouwd omdat de AOW hierin al voorziet — bedraagt in 2026 € 17.283. De pensioengrondslag blijft, zoals gebruikelijk, het pensioengevend salaris verminderd met de franchise.

Partnerpensioen vóór pensionering: een grote stap vooruit

Een van de meest in het oog springende wijzigingen zit in de dekking bij overlijden vóór de pensioendatum. In de huidige regeling wordt partnerpensioen opgebouwd op kapitaalbasis. In de nieuwe regeling is dat niet langer mogelijk en kiezen sociale partners voor financiering op risicobasis. Concreet betekent dit dat nabestaanden recht krijgen op:

  • een levenslang partnerpensioen van 10% van het pensioengevend salaris;
  • een verplicht tijdelijk partnerpensioen (Anw-hiaatverzekering) van € 12.000 per jaar, uitgekeerd totdat de nabestaande de AOW-leeftijd bereikt;
  • de mogelijkheid om dit tijdelijke partnerpensioen vrijwillig te verhogen tot maximaal het bedrag van de wettelijke Anw-uitkering (circa € 19.000);
  • een verplichte voortzetting van de risicodekking gedurende zes maanden na uitdiensttreding — langer dan de wettelijke minimumperiode van drie maanden;
  • de mogelijkheid om deze dekking vrijwillig voort te zetten door uitruil, voor een periode van maximaal 15 jaar (de wettelijke minimumperiode).

Met deze keuze willen sociale partners een minimaal pensioenniveau garanderen voor nabestaanden en de inkomensongelijkheid vóór en na de AOW-gerechtigde leeftijd verkleinen. Ten opzichte van de huidige regeling is dit voor nabestaanden van een overleden partner een duidelijke vooruitgang.

Partner- en wezenpensioen na pensionering

Na de pensioendatum blijft een partnerpensioen mogelijk, dit keer gefinancierd vanuit het opgebouwde persoonlijk pensioenvermogen. Bij pensionering wordt dit vermogen in beginsel aangewend voor zowel ouderdomspensioen als levenslang partnerpensioen, in de vertrouwde verhouding van 100:70. Sociale partners hebben er bewust voor gekozen deze verhouding niet te verlagen, om een grote inkomensdaling voor de partner te voorkomen.

Het wezenpensioen bedraagt 6,5% van het pensioengevend salaris, met een eindleeftijd van 25 jaar. Daarmee komt het uit op ongeveer het niveau van de huidige middelloonregeling; fiscaal zou tot 20% zijn toegestaan. Nieuw is dat er niet langer onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen tot 18 jaar en kinderen tot 27 jaar die nog studeren: voortaan geldt voor iedereen dezelfde eindleeftijd van 25 jaar.

Belangrijk detail: het al opgebouwde partner- en wezenpensioen op de transitiedatum wordt omgezet in een kapitaal en meegenomen (“ingevaren”) in de nieuwe regeling. De partner en eventuele kinderen blijven begunstigde, maar de hoogte van de uitkering is vanaf dat moment afhankelijk van het beleggingsrendement op het daarvoor bestemde vermogen. Deze dekking komt overigens gewoon bovenop de nieuwe overlijdensdekking; er vindt geen verrekening tussen beide plaats.

Premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid

Wie arbeidsongeschikt raakt, hoeft zich over de pensioenopbouw geen zorgen te maken: de pensioenpremie wordt premievrij voortgezet, inclusief de risicodekking bij overlijden. Dit gebeurt volgens het bekende WIA-volgende drieklassensysteem:

  • bij een arbeidsongeschiktheid tot 35% geldt geen voortzetting;
  • tussen 35% en 80% arbeidsongeschiktheid wordt de premie voor 50% voortgezet;
  • vanaf 80% arbeidsongeschiktheid wordt de premie voor 100% voortgezet.

Deze dekking blijft ongewijzigd ten opzichte van de huidige regeling. Alleen de vorm verandert licht, van voortzetting van pensioenopbouw naar voortzetting van premiebetaling.

Keuzevrijheid: flexibiliseringsmogelijkheden

Ook onder de nieuwe regeling houden deelnemers keuzevrijheid rond hun pensioen. De bestaande flexibiliseringsmogelijkheden blijven grotendeels intact:

  • een bedrag ineens opnemen bij pensionering;
  • de pensioendatum vervroegen of uitstellen;
  • gedeeltelijk met pensioen gaan (deeltijdpensioen);
  • kiezen voor een hogere uitkering in de eerste jaren en een lagere daarna, of andersom (hoog/laag pensioen);
  • een deel van het ouderdomspensioen uitruilen voor een hoger partnerpensioen, of omgekeerd.

Voor gemoedsbezwaarden geldt dat de huidige regeling wordt voortgezet: spaarbijdragen, gelijk aan de reguliere pensioenpremie, worden uitgekeerd tussen 67 en 82 jaar.

Kortom

De nieuwe solidaire premieregeling bouwt op belangrijke onderdelen voort op de vertrouwde uitgangspunten van de huidige regeling — denk aan de pensioenrichtleeftijd, de opbouw van het pensioengevend salaris en de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Tegelijk brengt de overstap naar risicobasisfinanciering van het partnerpensioen een merkbare verbetering voor nabestaanden. De pensioenuitkering wordt na ingang variabel: deze beweegt voortaan direct mee met de beleggingsresultaten, in plaats van via toeslagverlening.

Voor deelnemers die vragen hebben over wat dit voor hun eigen situatie betekent, blijft het pensioenfonds het eerste aanspreekpunt: www.bpfhibin.nl.

Lees ook eerdere berichten uit de serie ‘Loon voor later’:
Lees deel 1 | Lees deel 2 | Lees deel 3 | Lees deel 4

Marc  Donckers
Auteur Marc Donckers